De polygraaftest vindt zijn weg naar het Wetboek van Strafvordering

De polygraaftest – in de volksmond ook de vaak de leugendetector genoemd – is een verhoortechniek die al jaren te pas en te onpas wordt gebruikt in strafonderzoeken. Daar waar dit gebruik tot voor kort stoelde op een ministeriële omzendbrief van 13 februari 2003 [1] en een omzendbrief van het college van procureurs-generaal van 6 mei 2003 [2], opteerde de wetgever ervoor om deze bekritiseerde bijzondere techniek van politionele ondervraging op te nemen in het Wetboek van Strafvordering [3]. Sedert 2 maart 2020 kan de wettelijke grondslag en procedure voor het gebruik van de polygraaftest worden teruggevonden in artikel 112duodecies Sv.

Vooreerst dient te worden onderstreept dat het afleggen van de polygraaftest nog steeds enkel op vrijwillige basis gebeurt. De test kan worden voorgesteld door de procureur of de onderzoeksrechter. Diegene die eraan wordt onderworpen, dient er evenwel steeds mee in te stemmen. Hiertoe ondertekent betrokkene een proces-verbaal van instemming.

Een polygraaftest is verder niet mogelijk bij zwangere vrouwen en gedurende de eerste 48 uur na een vrijheidsberoving. Ook minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt, kunnen niet aan de test worden onderworpen.

Diegene die een polygraaftest zal ondergaan, kan vooraf aan een alcohol-, drugs- of geneesmiddelentest, dan wel een psychologisch of psychiatrisch onderzoek worden onderworpen. Dit is echter geen verplichting. De testresultaten kunnen helpen om te beoordelen of een polygraaftest wel aangewezen is. De polygrafist kan de polygraaftest ook te allen tijde beëindigen indien hij twijfelt over de psychische of fysische gezondheid van betrokkene. Dit zou moeten beletten dat er nadien twijfels zouden rijzen over de geldigheid of betrouwbaarheid van de resultaten van de polygraaftest.

Daarnaast dient de ondervraagde voorafgaand te worden geïnformeerd van het feit dat:

  • hij, zonder rechtsgevolgen, op eender welk ogenblik de test kan beëindigen;
  • de volledige test audiovisueel wordt opgenomen;
  • zijn advocaat de test mag volgen vanuit de volgkamer, zonder te mogen tussenkomen tijdens de test.

Gelet op het feit dat enige tussenkomst onwenselijk is bij een polygraaftest, is er slechts een kleine rol weggelegd voor advocaten. De advocaat mag slechts aanwezig zijn bij het voorlezen en ondertekenen van het PV van toestemming. Voor het overige wordt de taak van de advocaat beperkt tot het stoïcijns volgen van de test vanuit de volgkamer. Achteraf mag men wel melding laten maken van eventuele schendingen van de rechten van de cliënt in het proces-verbaal dat van de polygraaftest wordt opgemaakt. Dit ligt in de lijn met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat reeds oordeelde dat de artikelen 6.1 en 6.3c EVRM niet vereisen dat de verdachte bij het afleggen van een polygraaftest wordt bijgestaan door een advocaat [4].

Tot slot bepaalt de wet uitdrukkelijk dat de resultaten van de polygraaftest enkel kunnen gelden ter ondersteuning van andere bewijsmiddelen.

Dit is meteen ook een heikel punt daar in de praktijk vaak wordt teruggegrepen naar de polygraaftest in zaken waarin andere bewijsmiddelen tekort schieten. Men denke hierbij aan zedenzaken, waarin het vaak een discussie van woord tegen woord is en objectief bewijsmateriaal ontbreekt. De meerwaarde van de wettelijke verankering van de polygraaftest is dan ook meteen dubieus. Dit is evenwel ook terecht.

De wettelijke verankering dient immers niet te worden aanzien als een opwaardering van dit controversieel bewijsmiddel. De polygraaftest blijft onderhevig aan kritiek vanuit de wetenschap. De foutmarge zou aanzienlijk zijn (tussen de 13 en 23 procent) en onderzoek zou hebben uitgewezen dat de testresultaten niet altijd even betrouwbaar zijn (https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/08/21/liegt-iemand-of-niet–vijf-vragen-en-antwoorden-over-de-leugende/). Het is ten zeerste de vraag hoe de waarheidsvinding gebaat kan zijn met een onbetrouwbaar bewijsmiddel. De strafrechter zal er zich dan ook blijvend voor moeten hoeden om de resultaten van de polygraaftest, dan wel de weigering om deze te ondergaan, niet – bewust of onbewust –te laten (door)wegen op de innerlijke overtuiging.

© Jacques Vandeuren en Arne Fierens

 

[1] Ministeriële omzendbrief betreffende het gebruik van de polygraaf in de strafrechtspleging d.d. 13 februari 2003.
[2] Omz. Col. 3 van 6 mei 2003 van het college van procureurs-generaal betreffende het gebruik van de polygraaf in de strafrechtspleging
[3] Wet van 4 februari 2020 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het gebruik van de polygraaf betreft (BS 21 februari 2020).
[4] Cass. 9 april 2013, AR P.12.2018.N, NC 2014, afl. 1, 40.

Share this Post

Terug naar overzicht