De beroepsrechter moet steeds ambtshalve de (on)schuld van de beklaagde kunnen beoordelen

De ‘Potpourri II’-wet beoogde een efficiëntere behandeling van strafzaken in hoger beroep waarbij het debat voor de beroepsrechter en de eigen initiatieven van de beroepsrechter moesten worden beperkt.

Met de plicht tot opstellen van een grievenformulier en een verzoekschrift als men hoger beroep aantekent in strafzaken, wordt het debat voor de appelrechter beperkt tot de aangevoerde grieven. De beroepsrechter kan enkel nog zonder beperking substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en bevoegdheidsproblemen opwerpen (art. 210 Sv.). Andere grieven zoals de verjaring van de strafvordering of de vaststelling dat er geen misdrijf is, kunnen maar door de beroepsrechter worden opgeworpen op voorwaarde dat die betrekking hebben op feiten die via het grievenformulier/verzoekschrift aan de beroepsrechter zijn voorgelegd (art. 210 Sv.). M.a.w. mag sinds de wettelijke regeling in de ‘Potpourri II’-wet de beroepsrechter niet oordelen dat de strafvordering is verjaard of dat de feiten geen misdrijf vormen als die rechtspunten door de appellant niet werden vermeld in het grievenformulier/verzoekschrift.

Uit de letter van de wet, ondersteund door de parlementaire besprekingen en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, kan de beroepsrechter maar oordelen over de schuldvraag als daarover expliciet een grief werd geformuleerd.

De Franstalige correctionele rechtbank van Brussel vroeg het Grondwettelijk Hof of dergelijk verregaande beperking van de saisine van de beroepsrechter de toets aan de Grondwet doorstaat in het specifieke geval dat deze rechter tijdens het feitenonderzoek zou menen dat er geen misdrijf is terwijl de beklaagde geen grief heeft geformuleerd betreffende zijn schuldigverklaring.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat die beknotting in de ambsthalve beoordeling van de schuld door de appelrechter te ver gaat. Het Hof oordeelde 20 november 2019 (arresten nrs. 185/2019 en 189/2019) dat een daadwerkelijke uitoefening van het hoger beroep veronderstelt dat de appelrechter na het feitenonderzoek steeds ambtshalve moet kunnen vaststellen dat er geen schuld is. Door die vaststelling afhankelijk te maken van een voorafgaande vermelding in het verzoekschrift/grieveformulier verhindert de wetgever de beroepsrechter in zijn opdracht en wordt het hoger beroep in strafzaken uitgehold.

Noteer even wel dat de appellant zelf, als hij de schuldigverklaring niet heeft aangemerkt als een grief, hij zelf zijn schuld niet kan betwisten. De appelrechter moet echter wel de vrijheid hebben om ambtshalve die onschuld vast te stellen als die blijkt uit de feiten die bij hem aanhangig zijn.

© Ruben Van Herpe

Share this Post

Terug naar overzicht